Volgens bepaalde opvattingen wordt de wereld van illusies, ofwel Maya, geschapen door God, de enige werkelijkheid, die Geest is. Maar probeert niet ieder die schept minstens zichzelf uit te breiden en liefst nog te overtreffen in zijn creaties? Is het dan niet absurd dat de Geest van God, die absolute waarheid is, behoefte zou hebben aan de verregaande ondermaatsheid van illusies?
Om overtuigende illusies te kunnen scheppen, moet je de onbeperkte geest die je bent eerst tot hun beperkte niveau verlagen. Je moet, kortom, in de huid van je eigen schepsels kruipen en hun kleinheid van geest volkomen serieus nemen. Zelf-begoocheling, dus. God, die onveranderlijk is wat Hij is, heeft daar uiteraard geen behoefte aan, maar dit is precies wat ik als goddelijk schepsel aan het doen ben. Dat ik het zelf doe, maakt het niet minder krankzinnig, maar omdat ik al zo’n lage dunk van mezelf heb, valt dat niet eens meer op.
Het is mijn geloof dat het allemaal werkelijk voor me maakt, zodanig dat ik volledig vergeet wie ik ben. Wat ligt vervolgens meer voor de hand dan de Almachtige de schuld te geven van alles wat ik niet langer als een product van mijn eigen geest herken? Maya of niet, als ik me zozeer van mezelf distantieer dan geloof ik toch dat God de wereld heeft geschapen. Dat geloof is een keuze tegen God en tegen de grenzenloze werkelijkheid die ik ben.
Gelukkig hoeft dat niet zo te blijven, want ik kan elk moment anders kiezen en prompt een andere wereld gaan ervaren. Die andere ervaring is mogelijk, omdat veranderlijkheid eigen aan illusies is. De werkelijkheid van God – en van mezelf – is absoluut waar en daardoor onveranderlijk. Alles wat verandert kan dus alleen maar een illusie zijn. Zelfs verlicht worden is een illusie, maar als het die kant opgaat, is daar natuurlijk niets mis mee. De illusie van geleidelijke overgang is nodig om mij in staat te stellen mijn zelf-opgelegde beperkingen onbevreesd en uit vrije wil los te laten. Elke vorm van dwang zou mijn illusie van zelf-beperking alleen maar versterken.
Toch is er geen weg van het relatieve naar het absolute. Die hoeft er ook helemaal niet te zijn, want het loslaten is ogenblikkelijk en daarin sta ik al buiten de tijd. Dat kan, omdat ik niet mijn illusies ben. Ik ben niet een ego, niet een mens, niet een product van deze wereld of van het verleden. Ik ben zelfs niet kosmisch, maar wel komisch, misschien.
Al die eonen van evolutie hebben in de tijdloze werkelijkheid geen moment kunnen bestaan. Het was al voorbij voordat het kon beginnen. Alles wat in afgescheidenheid verzonnen kan worden, is al lang helemaal uitgedacht. Er is werkelijk niets nieuws onder de zon. Daarom speelt alles wat ik droom zich in het verleden af – een verleden dat ik kan zien zoals ik wil. Die vrijheid van perceptie geeft humor zijn bestaansrecht.
De enige reden om door te gaan met de herhaling van een verleden, waarin ik mijn ondergang als machteloos mensje eindeloos opnieuw beleef, is mijn onbewuste schuldgevoel tegenover God. De door mij geprojecteerde wereld kan alleen bestaan omdat ik bang ben voor God, ofwel voor de almacht van liefde die ik ben. De wereld belichaamt mijn angst, die zich tegen me keert, zodat ik altijd mijn verdiende loon krijg. Zelf-bestraffing is de waanzin die het lijden mogelijk maakt en het is van alle tijden.
Zelf-realisatie begint daarom met zelf-aanvaarding. Zelf-aanvaarding begint met beseffen wat ik allemaal niet ben. Wat ik niet ben, hoef ik niet te veranderen, omdat dat echt geen verschil zou maken. Ik hoef het alleen maar te vergeven en daarmee laat ik het vanzelf los. Echt van harte vergeven is een daad van liefde – liefde voor de waarheid boven alles.
Het gaat om loslaten uit vrije wil, maar zolang ik nog enige waarde hecht aan mijn illusies, kies ik voor vasthouden in plaats van loslaten. Dat hinken op twee gedachten is weliswaar normaal in een zogenaamde overgangsperiode, maar innerlijke verscheurdheid is ook een voortzetting van zelf-bestraffing en dus pijnlijk. Ook nu heeft het, uiteraard, geen zin iemand anders de schuld van mijn lijden te geven. Het is immers mijn keuze om niet te willen kiezen voor wat ik geloof dat waar is.
Het komt er dus telkens weer op neer om me bewust te worden van wat ik mezelf aan doe. Ik moet mijn variaties van verzet tegen de waarheid leren kennen. Wat ik als verzet in mezelf, of zogenaamd buiten mezelf, herken, hoef ik alleen maar te vergeven. Er is geen andere keuze die zinnig is. Verzet zou meer van hetzelfde creƫren. Accepteren als waar zou waanzin zijn. Negeren lost de pijn niet op. Alleen vergeving heelt mijn breuk met de waarheid en mezelf.