God is waarheid.
God is geest.
Geest is de enige werkelijkheid.
De werkelijkheid is één en ongedeeld.
Alles wat God heeft geschapen, is een uitbreiding van Zijn Geest, onveranderlijk en absoluut waar. De wereld die ik ervaar, is dan ook geen schepping van God, maar iets wat ik droom.
Zoals in dromen gebruikelijk, vervult iedereen in deze wereld alleen maar de rol die ik hem of haar onbewust heb toebedeeld. Onbewust voel ik me schuldig en verwacht ik straf voor mijn ‘vergrijp’ tegen God. God deelt mijn droom echter niet en ziet het ook niet als een zonde dat ik ‘voor mezelf’ ben begonnen. Als maker van de werelddroom ontleen ik al mijn scheppingskracht aan Hem, maar ik hoef niet te denken dat ik de macht van Hem kan overnemen. Toch was dit mijn wens en daarom is schuldgevoel en angst voor vergelding nu wat de wereld waar moet maken.
Wat God niet heeft geschapen, bestaat in werkelijkheid niet. Wat niet bestaat, is een illusie. Oneindig veel illusies bij elkaar zijn nog steeds niets. Nooit wordt niets iets.
Ik ben niet een lichaam, niet een mens, niet een persoon, niet een stukje van de wereld of de kosmos. Het veranderlijke bestaat niet in de Geest van God. Als uitbreiding van Gods Geest ben ik alleen maar onveranderlijke waarheid.
Dit is wat ik geloven wil, ook al lijkt de veranderlijkheid die ik ervaar aanvankelijk veel echter. En toch geloof ik het, want de waarheid heb ik lief.
Geloven wat ik niet kan zien, is een daad van liefde. Liefhebben is een keuze uit vrije wil.
Kiezen doe ik onophoudelijk. Zelfs twijfel is een voorkeur. Kan ik dan niet net zo goed geloven wat ik liefheb?
De wereld is slechts een instrument van bewustwording. Dankzij de wereld kan ik zien wat ik heb gekozen. Daardoor kan ik gaan beseffen wat ik werkelijk geloof – en zonodig anders kiezen.
Als ik geloof dat ik van God ben afgescheiden, zie ik in een goddeloze wereld niets anders weerspiegeld dan dit eerste oordeel dat ik over mezelf heb geveld. Al mijn andere oordelen bouwen daarop voort.
Mijn oordeel is niet gevormd door de Geest van God. Het is gevormd in een droom van afgescheidenheid, die geen moment echt heeft bestaan en waar God zelfs geen weet van heeft.
Daarin ligt de oorzaak van al mijn problemen.
Elk oordeel deelt in tweeën. Elke tweedeling maakt de afgescheidenheid voor mij meer werkelijk en mijn wereld tot een hel.
Natuurlijk hoeft dit niet en heeft het nooit gehoeven. De onveranderlijke Geest blijft tijdloos stil en onbewogen. Als ik zelf stil ben, zie ik gedachten opkomen en vergaan tegen de achtergrond van onveranderlijke Geest.
Door te geloven dat ik nog steeds ben zoals God mij heeft geschapen, houd ik de illusie van afgescheidenheid niet langer in stand.
Denkend met de Geest van God, vergeef ik de ander en mezelf voor wat nooit heeft bestaan. Bij gebrek aan illusies kan de wereld alleen nog maar het Koninkrijk van de Hemel weerspiegelen, omdat dit is wat ik werkelijk ben.