Ook al lijkt hevige angst een verschrikkelijke ervaring, toch heb ik ervan geleerd dat ik zoiets kan overleven. Sterker nog, als ik me niet langer ertegen verzet, blijft er niets van over. Soms trof ik mezelf na een paniekaanval waarin ik me als in een vrije val liet neerstorten, lichter aan dan ooit tevoren. Er was in dat loslaten letterlijk een hoop van me afgevallen en dat gewicht is ook nooit meer teruggekomen.
Angst is een fenomeen dat zijn bestaan helemaal moet ontlenen aan de geest die ermee omgaat. Mijn verzet ertegen voedt de angst juist. Verzet is immers een manier om in dezelfde geestesgesteldheid te blijven denken als die waar angst uit voortkomt – namelijk de illusie van afgescheidenheid.
Het is dus belangrijk om te zien dat angst niet ’slecht’ is. Het is, zoals alles in deze wereld, alleen maar zinvol als leermiddel om de waarheid die wij zijn te leren kennen. Op elk moment heb ik de keuze: meegaan in de illusie van afgescheidenheid waar angst het acute symptoom van is, of tegen al mijn aanvechtingen in blijven geloven: “Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat” (motto van ‘Een Cursus in Wonderen’). Ook al sta ik misschien nog te trillen als een rietje, ook al breekt het zweet me uit, toch helpt het me om deze gedachte te blijven koesteren. De geest kan al lichter worden, terwijl het lichaam nog wat naijlt in de oude belevingswereld, waar het nu eenmaal een product van is.
Afgescheidenheid is een vergissing die in de eeuwige geest slechts eventjes leek te kunnen bestaan, maar binnen dat tijdelijke en illusoire bestaan wel eindeloos op elk moment wordt herkauwd door het deeltje van de oneindige geest dat zich erdoor heeft laten vangen. Dat is de illusie van tijd en ruimte die wij voor werkelijk houden en waar ons hele universum op gebaseerd is.
In dat herkauwen, herleven en herhalen geeft de scheppingskracht van de geest elk moment opnieuw alles vorm wat ons ogenschijnlijk zo vertrouwd is, zowel het ‘goede’ als het ‘kwade’. De grootste angst die we in die valse omstandigheden kennen, is de angst voor de waarheid, de echte werkelijkheid, ofwel God.
Bizar genoeg is dus de angst voor onze bevrijding, heling en verlossing de allergrootste angst – de ‘moeder van alle angsten’.
Ook al lijkt angst steeds een andere oorzaak te hebben (schaamte, jalouzie, faalangst, verlatingsangst, doodsangst, etc.), in wezen is angst steeds weer terug te voeren op de valsheid van ons bestaan, ofwel onze ingebeelde afgescheidenheid van God – de ene en ongedeelde werkelijkheid.
Al die verschillende angsten zijn dus alleen maar schijngestalten van dezelfde vergissing — die onmiddellijk werd vergeven en die in werkelijkheid geen enkel effect heeft gehad.
Dat deze universele ervaring van angst soms direct wordt opgewekt door de gedachte aan de werkelijkheid die ik ben, kan worden gezien als een sterke aanwijzing dat verlossing afhangt van wat ik zelf door dik en dun kies om te geloven: de illusie van afgescheidenheid of de ene onveranderlijke werkelijkheid die ik ben.
Zolang de illusie van afgescheidenheid nog een spoortje van geloofwaardigheid bezit, zal angst ons begeleiden. Zie het maar als een soort van bio-feedback, een manier om de geest van afgescheidenheid te trainen in wat hij werkelijk is.