Wat is het toch, dat ik herinneringen zo reĆ«el maak dat ze mijn ervaring van geluk bepalen? Als mens leef ik bij de gratie van mijn herinneringen. Zonder herinnering weet ik niet eens dat ik besta – en toch verandert het niets aan de werkelijkheid die ik ben.

Nu ik het van heel dichtbij heb meegemaakt, is het sterven er niet werkelijker op geworden. Integendeel, ik ben er nu meer dan ooit van overtuigd dat de dood een farce is. Mijn moeder zou het onmiddellijk beamen, ware het niet dat ze zich hiermee van dit dwaze toneel heeft teruggetrokken.

De dood niet serieus nemen, betekent het hele bestaan hier niet serieus nemen. Beter dan te denken dat het allemaal voorbijgaat, is het te denken dat alles voorbij was voordat het kon beginnen. De tijd heeft nooit bestaan. Wat ik hier doe, is een hele korte vergissing eindeloos herhalen, elk moment opnieuw – totdat ik volledig besef dat het niet hoeft. Dat besef is het ‘Koninkrijk van de Hemel’. Jesus had gelijk, dat we ons nergens anders om hoeven te bekommeren.

Een nieuwe dag breekt aan, terwijl ik dit zit te schrijven. De lucht in het oosten die kleur krijgt, de merel die begint te zingen voor het raam – de dageraad is een prachtige verschijning juist omdat we niets van elkaar hoeven te verwachten. Alles is al compleet vervuld. Mezelf verdedigen hoeft niet meer. Het oordeel waarop mijn vergissing en mijn verzet berustte, kan worden losgelaten. Ik ben onschuldig en ieder ander ook, zelfs al zouden we nog duizend doden sterven.

In scherp contrast met het menselijk drama stelt een terugkeer in de werkelijkheid helemaal niets voor. Het lijkt nergens op. Vrijheid kent geen verleden.