De wereld is niet slecht en niet goed.
De wereld is alleen maar de situatie waarin ik de weg terug naar huis vind.
Vreugde is mijn toetssteen voor wat werkelijk is
Deze wereld die ik zie, toont me slechts hoeveel vreugde ik als mijn onvervreemdbaar erfdeel in mezelf heb geaccepteerd – en hoeveel ik heb geweigerd.
De vreugde in mijn hart vertelt me ook of hier, nu, in de aanwezigheid van deze mens, zelfs al is het maar een baby, echt verlichting aanwezig is of niet.
Verlichtingsmomenten, of wonderen, zijn heel natuurlijk en het onder alle omstandigheden openstaan voor de vreugde die niet van mijn zelfje is, maar wel van mij, is een weg.
Op dagen dat ik me hier een beetje meer dan gewoonlijk bewust van ben, lijkt alles, ondanks de onontbeerlijke moeilijkheden, toch op rolletjes te gaan en ben ik minder geneigd om zwaar aan iets te tillen. Dat kan niet helemaal toeval zijn. Ik vind het leuk om te ontdekken dat de inhoud die ik aan mijn bewustzijn geef, inderdaad mijn werkelijkheid bepaalt. Gedachten hebben een heel praktische uitwerking.
Kan ik dat wat het denken doet, dan nog theoretisch noemen? Ja, als ik besef, dat het Griekse woord ‘theorein’ oorspronkelijk ‘beschouwen’ betekende. Theoretisch kan dan worden vertaald als: overeenkomstig het beschouwen, volgens de aard van het zien. Met andere woorden, alles wat ik ervaar is theoretisch, omdat het is zoals ik het wil zien. Als ik het op die manier bekijk, krijg ik een idee van mijn mateloze vrijheid.
Nu moet ik alleen nog zo wakker zien te worden, dat ik ook mijn getroebleerde manier van zien herken in de wereld die ik als werkelijk ervaar.
Vreugde is onbewust van alles wat haar werkelijkheid ontkent
Je zult van mij nooit horen, dat de lichtheid van het bestaan ondraaglijk is, maar wel dat het iets is waar ik nog aan moet wennen, bang als ik ben, om me van mijn overheersende, zware, opvattingen los te maken.
Domweg gelukkig zijn is eigenlijk ‘not done’. Dan heb ik vast iets over het hoofd gezien. Dan ontken ik vermoedelijk mijn verdriet. Dan leef ik volkomen onbewust. Want geluk kan niet echt zijn. Het is maar een voorbijgaande illusie, niet de werkelijkheid… enzovoort, enzovoort. Er zijn zoveel bezwaren tegenin te brengen, er lijkt zoveel pijn en lijden te bestaan, dat ik mijn niet te bewijzen intuïtie van wat waar is, nauwelijks durf te volgen.
Dat mijn geluk onbewust is van alles wat er geen deel van uitmaakt, is in feite juist en heel natuurlijk. Hoe ik het Opperwezen, mijn universele geest, ook benoem, Zij is zich volkomen onbewust van mijn angst en verdriet. Zij kent mij slechts als deel van Zichzelf en heeft geen voorstelling van wat ik allemaal in een onbestaanbare afgescheidenheid denk te kunnen uitspoken. Een gelukkig moment is een moment van genade, een goddelijk moment, de uitdrukking van mijn natuurlijke staat. En de onbewustheid voor alles wat dat ontkent, is wezenlijk eraan. Dat is dus iets waaraan ik moet wennen, want de wereldse ontkenning is zo vertrouwd dat hij zelfs een soort gezag lijkt te hebben gekregen.
Ik kan niet verliezen wat niet van mij is
Wat kan ik doen om nog meer vreugde, meer van mijn Zelf, in mijn hart-bewustzijn toe te laten? Eigenlijk niets. Alleen maar in mezelf herkennen wat ertegen in verzet is — elk oordeel, elke gedachte die afgescheidenheid propageert — en dat loslaten. Dat betekent dat ik de psychische of fysieke aandoeningen die er zijn, accepteer, ze niet ontken, want de blokkade moet eerst als zodanig worden erkend, wil hij kunnen worden opgeruimd. Dit is voldoende om datgene te realiseren wat, ook in mij, reeds reëel is. In feite wordt daarmee telkens de oorzaak van de aandoening weggenomen. Om de gevolgen hoef ik me dan niet meer te bekommeren.
Ik ben aan geen andere wetten onderworpen dan die van de wereld waarin ik geloof. Dat verklaart ook waarom soms gewone mensen plotseling tot bovenmenselijke prestaties in staat zijn gebleken. Eenvoudig, omdat ze eventjes het geloof in hun eigen zwakheid hadden losgelaten.
De oplossing is simpel, maar het verzet doet zich voor als complex. Dus is er dagelijks genoeg te doen en met elk herkennen en loslaten breekt er nieuwe vreugde in me door.
Vertrouwen op de echtheid van vreugde is alles dat nodig is
Als ik nu niet probeer aan de werkelijkheid van vreugde te wennen, zal hij in omstandigheden waarin ik er meer dan ooit behoefte aan heb (bij ziekte, grote pijn, verwarring en angst), niet veel voor me kunnen betekenen. Natuurlijk kan mijn vertwijfeling altijd nog uitlopen op een crisis, die eindelijk een doorbraak brengt. Maar mezelf voortslepen van crisis naar crisis zie ik niet als een bewuste leefwijze, ook al kan ik het misschien niet voorkomen. Ik heb gewoon iets nodig dat elk moment van de dag werkt. En wat ik nodig heb, heet vertrouwen.
Het enige wat ik dan ook voor een ander, die in zulke omstandigheden verkeert, wezenlijk kan doen, is blijven vertrouwen. Ofwel, geen twijfel aan de eenheid die wij zijn, koesteren. Wat niet wil zeggen, dat ik weet hoe de ander zich voelt, maar wel dat ik haar niet heb opgegeven en ook niet bereid ben om haar op te geven.
Wie niet meegaat in de illusie, blijft een bron van heling
Dit "Ik weet precies hoe jij je voelt" is altijd weer het misverstand, als er sprake is van verbondenheid: eenheid bestaat niet op het niveau van ziekte, pijn en angst. Daarin ben ik, zoals in elke aandoening die voortkomt uit de illusie van afgescheidenheid, altijd helemaal alleen. En het bevordert mijn heling alleen maar, als dat gewoon wordt erkend. Dat scheelt een ton aan blokkades die niet meer hoeven te worden opgeruimd. Het effent de weg voor de erkenning van onze werkelijke eenheid.
Als ik, op mijn beurt ziek, mezelf helemaal gereduceerd acht tot een lichaam, verkrampt in pijn en doodsangst, leef ik in de hel van afgescheidenheid. Maar om me overtuigend van iemand te kunnen afscheiden, zal zij die keuze met me moeten willen delen.
Er zijn altijd twee nodig om een conflict te kunnen laten ontstaan, maar dan is er ook maar één nodig om zelfs het schijnbestaan ervan onhoudbaar te maken. Als een ander mijn illusie van afgescheidenheid, de bron van elk conflict en elke aandoening, niet deelt, kan ik geen uitbreiding geven aan mijn liefdeloosheid.
Ik kan wel denken dat jij van mij gescheiden bent en allerlei akelige gedachten over jou en mezelf koesteren, maar als jij weigert het ook zo te zien, kan ik tussen ons geen verwijdering en geen conflict handhaven. Ik kan hier immers niet in mijn eentje met zijn tweeën zijn. Voor mijn ego is dit ongelofelijk irritant. Daarom wil Ik mijn waanzin door jou bevestigd zien en ik zal waarschijnlijk alles doen om jou zover te krijgen dat jij mij ook haat. Dan heb ik tenminste de zekerheid dat deze hel echt is. En dan kan ik zeggen: "Zie je wel, we leven allemaal in afgescheidenheid. Dat is nu eenmaal onze werkelijkheid."
Maar ik kan niet voor jou kiezen. Als jij de eenheid niet loslaat en eenvoudig blijft vertrouwen, zal ik, ondanks mijn agressief verdedigde geloof van het tegendeel, niet kunnen voorkomen dat ik word blootgesteld aan de heling, die jij vreugdevol voor jezelf hebt geaccepteerd. Daarvoor hoeven we niet eens in elkaars nabijheid te zijn, want dit werkt op het niveau van de ongedeelde geest, buiten het bewustzijn, het niveau van de waarneming, de afgescheidenheid, om.
Mijn keuze is het enige dat verschillende ervaringen mogelijk maakt
Ik hoef alleen maar dit besef levend te houden: dat ik zelf altijd volkomen vrij ben om opnieuw te kiezen tussen mijn kracht en mijn zwakheid, onafhankelijk van wat de ander denkt of doet. Als ik ervan overtuigd ben dat de ander een ongunstige invloed op mij heeft, is dat, omdat ik afhankelijk denk te zijn van waar zij voor kiest.
Maar dat is niet zo. Zowel zij als ik hebben de vrijheid om voor hemel of hel te kiezen, maar slechts één van die twee keuzes is werkelijk, de andere is onherroepelijk een, zeer pijnlijke, illusie.
Slecht gezelschap, slechte vibraties of zwarte magie kunnen alleen maar effect op mij hebben, als ik geen vertrouwen heb, niet de eenheid wil erkennen, maar voor mijn zwakheid in afgescheidenheid kies. En dan nog zijn die ‘vernietigende’ effecten, hoe overtuigend ook op het niveau van de waarneming, in feite even illusoir als het bewustzijnsniveau waarop ze zich afspelen. Het is in werkelijkheid net zo irreëel als een film in onze wereld al is.
Een ander kan dus wel degelijk invloed op mij uitoefenen — en doet dat ook, maar alleen vanuit de ongedeelde werkelijkheid die vreugde is, niet op basis van illusies — tenzij ik dat wil.
Daarom is het van belang om steeds de inhoud van mijn bewustzijn te blijven beseffen. Ik moet mezelf niet voor de gek houden door stiekem toch mee te gaan in de illusie.
Ik kan door niets of niemand vanaf het witte doek worden doodgeschoten. Misschien verklaart dat iets van mijn fascinatie voor films. Misschien ook niet. Illusies kunnen eigenlijk helemaal niet worden begrepen, want ze betekenen niets en ze zijn niets. Ze zijn op geen enkele manier te herleiden tot de werkelijkheid van vreugde.