De wereld is wat ik wil zien. Dat geldt voor al mijn ervaringen. De wereld is er slechts één van.

Er is nooit bewezen dat de wereld ook bestaat buiten het bereik van mijn ervaring. Dat de wereld absoluut zou bestaan, is niet meer dan een veronderstelling. Alle bewijzen ervoor zijn gebaseerd op waarneming en/of ervaring. Betrekkelijkheden dus, zonder ook maar enige steun van iets dat van zichzelf absoluut waar is. Logisch klopt het ook niet, want alles wat absoluut is, moet onveranderlijk zijn en de wereld is dat duidelijk niet.

Wat is dan realistischer dan de fysieke wereld te beschouwen als een illusie? Illusies en de ervaringen die eruit voortkomen worden bepaald door wat ik zelf geloof dat waar is. Nou, dat lucht even op, zeg! Als de relatieve waarheid slechts gebaseerd is op een onbewezen veronderstelling van mij, dan kan ik net zo goed iets anders kiezen. Alle zwaarwichtige conclusies over de toestand van de wereld en mijn plaats daarin, kunnen nu de prullenbak in.

Ik hoef me alleen maar bewust te worden van mijn gedachten, en vooral van de grondtoon daarin, om dagelijks te kunnen constateren dat mijn waarnemingen en ervaringen bepaald worden door wat ik geloof. Er zijn maar twee grondtonen, die bovendien niet tegelijk kunnen klinken: liefde en angst. Wat ik in feite altijd hoor, is ofwel werkelijkheid, ofwel illusie. Een neutrale toon bestaat niet.

Mijn geloof zit natuurlijk niet "tussen de oren," want een lichaam met oren en een hoofd daartussen behoort ook tot de illusie van een fysieke wereld. Het brein is niet de geest die gedachten en beelden vormt. Dat wordt nu zelfs voor sceptici duidelijk bij onderzoek van bijna-dood ervaringen, waarbij er geen enkele hersenactiviteit meer is en de "patiënt" toch allerlei indringende ervaringen heeft.

Als ik niet zou geloven in het bestaan of niet-bestaan van iets, zou ik ’s ochtends niet eens mijn ogen open durven doen. Juist omdat ik geloof, heb ik de vrije keus om mijn geloof en daarmee de wereld te veranderen. Ik hoef niet te wachten totdat "anderen" hun leven hebben gebeterd. Als de wereld een illusie is, dan is de afgescheidenheid van "de anderen" dat natuurlijk ook.

Ondertussen blijft onze absolute werkelijkheid onveranderlijk wat hij is, volkomen onbedreigd door wat dan ook. De echte waarheid kan prima voor zichzelf zorgen en hoeft dus niet te worden verdedigd. Iedereen wordt onvermijdelijk door die waarheid aangetrokken en altijd door welke illusie dan ook heen geleid. Ik ben alleen verantwoordelijk voor wat ik op dit moment zelf geloof en dientengevolge zie en ervaar. Als ik me verzet tegen mijn innerlijke gids, duurt het ongelukkig zijn in "de tijd" gewoon veel langer, maar niet eeuwig.

Als ik open sta voor de echte waarheid, die ik ervaar als mijn innerlijke gids, dan ben ik vanzelf begaan met wat "anderen" zichzelf allemaal aandoen. Het werkt echter niet heilzaam als ik als afgescheidenheid daar tegenin ga. Dan versterk ik alleen maar de illusie van angst. Al dat ongeheelde helen, dat preken en bepraten wekt agressie op, want een ongelukkig mens ziet zich door alles bedreigd.

Die afweer zit niet in de ander, want afgescheidenheid is een illusie. Ik begin altijd zelf, door de ander als iets buiten mij te beschouwen. De rest van mijn ervaringen wordt daar vanzelf door bepaald. Als ik een ander echt wil helpen of helen (wat iets anders is dan iemand met activiteiten lastig vallen vanuit een schuldgevoel), zal ik dus eerst wezenlijke heling, of vergeving, voor mezelf moeten accepteren. Dat is meteen ook genoeg, want het heelt de gescheidenheid, die in feite het enige probleem is. Daarom helpt bidden, ofwel heilzaam gebruik maken van mijn innerlijk, ook.

Wat ik bijvoorbeeld voor een stervende kan doen, is bij hem/haar gaan zitten en simpelweg vertrouwen op de werkzaamheid van mijn liefde, mijn innerlijke vrede. Dit is bidden in zijn hoogste vorm - en het heelt vanzelf, voorbij alle wereldse grenzen.

Omdat dit een werkzaamheid van de onsterfelijke geest is, werkt het bij iedereen die mijn hulp nodig heeft en zonder dat we zelfs maar fysiek bij elkaar hoeven te zijn. Liefde en vrede zijn volkomen werkelijk en behoren dus niet tot de fysieke illusie, maar zijn daarin wel werkzaam. Ze zijn zelfs het enige dat er echt aan is.

Iemand die angstig is, klampt zich vast aan de illusie van afgescheidenheid en zoekt dus steun daar, waar hij in feite niet bestaat. Niettemin wordt ook die mens constant beïnvloed door alle liefdevolle gedachten die naar hem/haar uitgaan. Een knuffel of een arm om m’n schouder zijn heerlijk, maar wat in feite heilzaam werkt is niet het contact van moleculen met elkaar maar de geest die in liefde zichzelf herkent, ongeacht fysieke grenzen of verschillen. Dat is de hartverwarmende energie die wordt uitgewisseld in elk liefdevol gebaar, in elke liefdevolle gedachte.

Ook in deze wereld is oneindig veel meer van de werkzaamheid van die energie te zien dan je uit krant of tv zou kunnen opmaken. Zelfs de illusie van de wereld bestaat alleen maar bij de gratie van liefde. Als ik er oog voor begin te krijgen, kan ik eindelijk weer bewust deel gaan uitmaken van die zich eeuwig uitbreidende, liefdevolle en vreedzame energie.