Hier en nu opent zich mijn ontsnappingsluik naar de werkelijkheid. Illusies hebben immers totaal geen vat op iets dat zonder verwijzing naar iets anders bestaat en tegelijk kunnen ze er niet buiten. Dit moment is volmaakt zonder verleden of toekomst, maar er kan geen sprake van verleden of toekomst zijn zonder dit moment als de spil van hun illusoire bestaan te gebruiken.

Wennen aan zijn – het idee dat ik als motto voor deze verzameling meditaties gebruik – betekent dan ook dat de illusie van het nog niet zijn alleen maar een spelletje is onder moeders paraplu, namelijk de onbedreigde werkelijkheid van het zijn. Dat spelletje stelt het zoeken naar de waarheid, zelf-realisatie, verlichting, heling en andere zaken die ik nastreef, in een heel ander daglicht. Het betekent dat ook deze illusies alleen maar hun betrekkelijke vervulling kunnen bereiken als ze zich onder de hoede van het volmaakt werkelijke stellen, want op zichzelf zijn ze zinloos en machteloos.

Daarom is de praktijk van het wennen aan zijn het meest effectief in de vorm van stil gewaar zijn. Er is een rustige intensiteit als ik bewust aanwezig ben zonder het psychische lawaai van mijn oordelen. Als ik niet langer vasthoud aan mijn oordeel over alles en nog wat, val ik uit de beperkte ervaringswereld van tijd en ruimte en keer ik terug in de werkelijkheid van het volmaakt ongebondene dat ik ben.

Die werkelijkheid vind ik niet terug in de ervaringen die ontstaan uit mijn verzet tegen wat ik ben. Dat verzet komt voort uit angst. Angst bestaat – anders dan liefde die eeuwig is – louter bij de gratie van mijn verdwaalde denken. Zonder een geest die over zichzelf als iets afzonderlijks denkt, is angst onbestaanbaar. Dit denken heeft tijd nodig. In de tijdloosheid van het hier en nu is er voor angst domweg geen plaats. Daarom is het hier en nu volkomen veilig. Ik heb dat heel sterk ervaren als ik me weer eens in pure wanhoop dwars door een gevoel van hevige pijn of paniek heen liet vallen en in een staat van verrukkelijke lichtheid belandde. Ik kan mijn denkwijze van verzet natuurlijk ook gewoon bewust loslaten, zonder dat het eerst tot een verschrikkelijke crisis moet komen.

Vrijheid begint waar mijn tijdgebonden gedachten ophouden. Zonder die gedachten is er alleen maar ongebondenheid die door niets kan worden bedreigd.

Zekerheid is geen product van mijn denken, maar van de eeuwigheid die altijd weer tussen mijn gedachtenbolwerken doorslipt. Ik ervaar het als innerlijke vrede op het moment dat ik mijn gedachten loslaat en me aan die ongebondenheid overgeef.

Het enige voordeel van denken is, dat het leren mogelijk maakt. Aan de andere kant, als ik me spontaan zou durven laten leiden door de inspiratie van het moment, hoef ik niets te leren, omdat ik al ben afgestemd op de werkelijkheid. Leren is alleen nodig in een illusie van afgescheidenheid. En, inderdaad, die illusie ben ik nog niet kwijt, maar ik hoef hem in ieder geval niet langer aan mijn hart te koesteren. Ik mag hem loslaten, telkens als ik me er bewust van word.

Leren, of me herinneren wat ik ben, is dus ook een vorm van wennen aan zijn. Het veranderen van mijn bewustzijn speelt zich uiteraard nog geheel af binnen de illusie van afgescheidenheid. Voor de allesomvattende werkelijkheid – de ongedeeldheid die we delen – heeft het geen betekenis. Maar zolang de dromer in mij nog droomt en die droom voor werkelijk houdt, zal ik hem op zijn eigen niveau moeten aanspreken.

Het gaat erom dat de dromer leert de verantwoordelijkheid voor wat hij droomt, te accepteren. Daarmee krijgt hij ook zijn vrijheid terug, die hij opgaf toen hij zichzelf als de gevangene van zijn eigen droom ging zien.

Vanuit de wereld van de droom lijkt alleen een geleidelijke verandering mogelijk. Maar ik weet ook dat alles wat ik kan veranderen, niet is wat ik ben. Vandaar, dat ontspanning meer oplevert dan inspanning als het om het beëindigen van mijn illusies gaat. Wat niet bestaat, kan immers met geen godsgeweld vernietigd worden en geen enkele inspanning kan me verschaffen wat ik zelf ben.

Er valt dan ook niets echt te transformeren. Ik kan alleen maar leren accepteren wat er al van voor het begin der tijden is: de tijdloze werkelijkheid die ik ben.

Ik heb dus geen ander moment dan het hier en nu om werkelijk te zijn. Al het andere is bedacht en geprojecteerd in een heden of een verleden. In het bedachte sta ik buiten de werkelijkheid, dus daar kan ik hoogstens als een Don Quichot tegen windmolens vechten. Alleen hier en nu kan ik kiezen wat ik als werkelijk wil ervaren. Altijd weer opnieuw is er dit moment waarin ik word geconfronteerd met de fundamentele keuze tussen waarheid en illusie.

Hoe kan ik beter leren wat waar is dan door onmiddellijk te ervaren wat mijn keuze inhoudt? Mijn keuze hangt helemaal af van wat ik bereid ben te geloven, want ik leef in de wereld waarin ik geloof.

Mijn geloof heeft altijd feilloos gewerkt, vooral ook toen ik nog dacht dat het niets uitmaakte wat ik geloofde. Het heeft deze fysieke wereld gecreëerd die ik zozeer als echt ervaar. Dat is geen geringe prestatie als je nagaat hoeveel ik daarvoor heb moeten opgeven. Onderschat nooit de kracht van het geloof dat de ervaring van de hemel in een hel kan veranderen.

Elk moment waarin ik terugkeer naar de stilte van mijn hart hier en nu, weet ik me verbonden en geborgen in vrede. Alles wat in die natuurlijke staat wordt waargenomen en ervaren – mensen, dieren, dingen – geeft er vanzelf uitdrukking aan. “Zoek eerst het Koninkrijk van de Hemel in jezelf en al het andere zal je worden geschonken” is, ondanks duizenden jaren van verzet ertegen, nog steeds een subliem praktische aanwijzing voor het wennen aan zijn, waarmee ik mijn verblijf in de tijd veel lichter en transparanter maak.

Stan Schaap