Onvoorwaardelijke aandacht kan nooit genoeg worden verspild. Er bestaat in werkelijkheid niets, maar dan ook helemaal niets, wat dat onverdeeld aandachtig zijn niet waard is.

Aangezien illusies niet echt zijn, kunnen zij niet zelf profiteren van die onvervalste aandacht, dat onverschrokken luisteren, maar degene die illusies koestert, des te meer.

Deze aandacht zonder oordeel is iets waar ik mezelf altijd weer in neer mag laten. Overgave is geen inspanning. Liefdevolle aandacht is moeiteloos. Het is wat ervaarbaar wordt, als mijn verzet, in welke vorm dan ook, even wegvalt. En illusies zijn verzet tegen de waarheid, net als de oordelen en angsten die ermee verweven zijn.

Het kan best zijn, dat mijn ‘luisteren’ begint met het oordeel, dat wat ik nu hoor, nergens op slaat en dat ik wel wat beters heb te doen. Maar als ik dat nu eens rustig laat zijn, en wacht, en kijk, en voel wat er gebeurt, als ik gewoon ontspan en het echte luisteren een kans geef? Het heeft maar een greintje bereidwilligheid van mijn kant nodig, om me een heel andere ervaring te kunnen verschaffen.

Dan blijkt dat vooral ik degene ben, die dit belangeloos aandachtig zijn hard nodig heeft en dit al veel te lang heeft gemist. De ervaring die deze aandacht me schenkt, leert me weer iets van mijn eigen, onbegrensde liefde kennen. Een hogere kennis en een grotere vreugde is er niet. Vandaar, dat deze aandacht zijn eigen beloning is. Vreugde heeft immers geen enkele behoefte aan beloning. Vreugde is volledig kunnen zijn wat ik ben.

Wat ik belangeloos doe, komt onvermijdelijk ten goede aan het geheel dat ik ben. Vreugde is immers iets dat niet gehoorzaamt aan de wetten van deze wereld. Ik hoef dan ook geen treurige boekhouding bij te houden van wat ik deze of gene nog aan gaven of gunsten schuldig ben, of omgekeerd. Liefde zonder voorwaarden hoeft niet te worden terugbetaald, maar mag gewoon worden weggegeven, rondgestrooid en in volkomen losbandigheid verkwist. Deze grenzeloosheid zal nooit kunnen opraken, alleen maar eindeloos toenemen, omdat ze zich volledig in alles uitleeft.

Belangeloze liefde hecht geen bijzondere waarde aan zichzelf, omdat ze in alles en iedereen alleen maar haar eigen identiteit ontdekt. In de uitbreiding die ze daarmee aan zichzelf geeft, ontvangt ze zichzelf meer dan volledig terug. Deze liefde die tegelijk vreugde is, eist dus ook geen dankbaarheid. Dankbaarheid kan immers geen tekorten aanvullen, omdat ze, net als liefde, niet in schaarste gelooft. Ze is niet het resultaat van berekening en komt dus ook niet voort uit opoffering of een gevoel van verplichting of schuld. Dankbaarheid is een spontane uiting van onbegrensde vreugde. Het is het lied waarmee de schepping onophoudelijk de Schepper dankt voor haar bestaan in alle mogelijke vormen. Het is de eeuwige uitwisseling van vreugde tussen Schepper en schepping.

Alles wat ook maar in enige mate belangeloos wordt gedaan, is in die mate een schepping van liefde en dus eeuwig. Het liefdevolle kan niet verloren gaan en blijft altijd ten dienste van het geheel werkzaam. Voorzover iets met een bijzonder oogmerk voor iemand wordt gedaan, is het een werkzaamheid van het ego en dus net zo onecht en illusoir als het ego zelf. Daardoor brengt het in werkelijkheid niets tot stand en wekt dus ook geen oprechte dankbaarheid op.

Het opzettelijke is er alleen maar op uit om een gevoel van schuld bij de ander op te wekken: "Nu sta jij bij mij in het krijt." Niettemin kan er in iemands bewustzijn zoveel vreugde aanwezig zijn, dat zij zelfs in mijn berekenend handelen een reden ziet om dankbaar te zijn. Maar dat is dan vooral een uiting van haar onbegrensde overvloed, niet van de mijne.

Op die manier zuivert onvoorwaardelijke aandacht mijn handelen ook van alles wat niet echt is. Alleen wat echt is — dus elk element van liefde dat het bevat — blijft bestaan. Al het andere wordt door de werkelijkheid niet eens gezien en verdwijnt zodra ik het zelf loslaat.

Ik geloof niet echt in een persoonlijke God, maar om praktische redenen wel in een puur persoonlijke benadering van God (de Universele Geest, Al Dat Is, of de ongedeelde werkelijkheid die ik ben). God, of hoe Zij ook heten mag, heeft mijn gebed niet nodig, maar ik heb het in de illusie van afgescheidenheid vooral zelf hard nodig. Want het zijn mijn oordelen, mijn blokkades, mijn angsten, die moeten worden opgeruimd en dus moet ik gewoon werken met wat mij het meeste vertrouwen inboezemt, wat mijn liefde wekt en wat mijn ogen van onschuld opent. Vandaar de zeer persoonlijke vorm van elke weg die daadwerkelijk bevrijding brengt.

Ik heb eigenlijk maar één probleem en dat is de illusie van afgescheidenheid, maar die vermomt zich in vele gedaanten. Zolang ik in welke gedaante dan ook niet het ene en enige probleem wil herkennen, blijf ik een willoze prooi van mijn angst.

De waarheid ligt voorbij elke vergankelijke vorm van kennis en ervaring. Maar er zijn bepaalde gedachten, gepaard met ervaringen die eruit voortkomen, die de mist aanzienlijk minder dicht maken. Daardoor wordt er meer zichtbaar van wat de aarde allemaal echt weerspiegelt. Als ik toch projecties voortbreng, laat de projectie dan vooral helder en bewust zijn. Dat scheidt het kaf wel van het koren, want een projectie van angst wil zichzelf niet tegenkomen, maar een projectie van liefde wil alleen maar in alles zichzelf herkennen, zelfs in een uiting van angst. Zo leer ik wat het ego niet is. Het niet bestaande ego kan in werkelijkheid immers niet direct gekend worden. En zo leer ik vanzelf wat ik wel ben.

Er rust in meditatiekringen soms een soort taboe op het hebben van gedachten, maar een taboe is ook een gedachte. Dus waarom dat mechanisme van gedachten dan niet inzetten voor de aanzet tot bevrijding ervan? Sommige gedachten hebben op mij een verstillend effect. En zo zijn ze ook bedoeld.

Ik moet voorlopig nu eenmaal werken binnen de illusie, althans voor zover ik zelf iets kan ‘doen’. De Universele Geest komt me in de droom van deze wereld heel ver tegemoet. Zolang mijn denken in dienst staat van overgave aan de Universele Geest, kunnen er geen grote ongelukken gebeuren, want door die belangeloosheid staat de brokkenmaker die ego heet, praktisch buiten spel.

Het gaat er alleen maar om te accepteren, dat ik met mijn diepste innerlijk bewust in verbinding kan staan en dat daar absoluut geen spirituele hoogstandjes voor nodig zijn; dat mijn ontwapening nu gewoon kan beginnen. Als het idee op zichzelf me maar aanspreekt, kan ik het gebruiken. De wereld is dan eventjes niet meer de weerspiegeling van mijn eigen onrust, maar van mijn innerlijke vrede.