Wat is de grootste angst?
Misschien wel de angst dat er voor angst geen plaats meer is. Soms kan ik mezelf op een schuwe blik betrappen als ik in de spiegel kijk. Alsof ik bang ben om mezelf onder ogen te komen. Vermoedelijk schaam ik me op dat moment een beetje en wil ik niet nog harder getroffen worden door mijn eigen, liefdeloze oordeel. Mijn schaamte geeft aan, dat ik onbewust de hardheid van mijn oordeel al heb gevoeld. Mensen gaan zelfs zover dat ze zich uit schaamte van het leven beroven. Schaamte is dan een grotere angst geworden dan angst voor de dood.
Waar begint het?
Het oordelen dat tot schaamte leidt, is zelf ook niet vrij van angst. Waarom voel ik me geroepen om te oordelen? Dat is meer dan een onschuldige gewoonte, want ook als ik het opmerk, verzet het zich krampachtig en hardnekkig tegen loslaten.
Dat zegt veel.
Er is iets dat me hierin nauwkeurig de weg kan wijzen. Het werkt altijd, omdat het niet alleen de wegwijzer maar ook de weg is. Je zou het een spirituele thermometer kunnen noemen. Daaraan kan ik op ieder moment aflezen hoe ver ik van huis ben. Maar dat besef opent tegelijk ook de deur tot de werkelijkheid die ik ben. Het is voelbaar als warmte of kilte in mijn hart en straalt soms ook fysiek zo in mijn borst uit. Het valt op, dat oordelen en warmte in mijn hart nooit samengaan. Kilte wordt door oordelen nog verder versterkt, maar is er niet het gevolg van, want aan het oordelen gaat nog iets vooraf. Dat is het moment waarop ik terugschrik.
Terugschrik voor wat?
Het feit dat ik hier met mijn gedachten niet gemakkelijk bij kan, zoals ik wel eindeloos over de dood kan prakkeseren, wijst erop dat ik aan de wortels van mijn angst sta. Op dit punt voelt mijn oordelende zelf zich in zijn voortbestaan bedreigd. De kou zet namelijk in op het moment waarop ik mijn werkelijkheid van onvoorwaardelijke liefde niet meer van harte durf te accepteren. Als ik evenwel op dit moment nog één stapje verder doe, in plaats van terug te schrikken…
… ben ik thuis.
Het aardige is dat ik altijd een heel gezelschap mee naar huis breng. Alles wat ik op mijn dwaaltochten ver van huis aan angsten heb verzameld, komt nu ook thuis met mij. De warmte van mijn hart vertelt me dat hier in huis alles omvattende liefde heerst en mijn vertrouwen zegt me dat die liefde eeuwig is.
Natuurlijk vlieg ik het volgende moment al weer de deur uit, de tuin in, de straat op, de wereld in, weg van huis. Als ik eeuwig thuis kon blijven, zou ik niet hier zijn.
Deze onvolmaaktheid is heel zinvol, als je het vanuit het oogpunt van liefde bekijkt. Liefde wil niet anders dan met alles in contact komen om haar helende warmte mee te delen.
Voor mij lijkt het of ik vaak verdwaald ben, maar liefde weet dat ik met vaste hand geleid word naar alles wat mij nodig heeft om met liefde in contact te kunnen komen. En dat is voor mij gelijk de weg terug naar huis. Ja, ik ben de weg naar huis voor alles wat in angst verdwaald is, inclusief mijn onwetende ikje. In liefde lost angst spoorloos op, wat dus de moeder van alle angsten is. Ik hoef alleen maar te beseffen, dat ik in werkelijkheid niet angst ben maar verlossing.
Het is onvermijdelijk dat dwaze denkgewoonten zich aan mijn geest proberen vast te klampen, omdat die het enig reële houvast biedt. In angst bestaat geen houvast en daarom heeft juist angst er echt behoefte aan. Op die manier trekt de liefde die ik ben, vanzelf alles aan wat geheeld moet worden.
Nu is het ook duidelijk dat ik nooit echt van huis ben. Na een nare droom word ik altijd weer wakker in mijn eigen bed en alles wat zo reëel bedreigend leek, is dan vervluchtigd.
Er wordt niet veel van mij gevraagd, want alles is er al en veelheid is iets dat ik alleen maar droom. Het is genoeg om niet terug te schrikken voor de liefde in mij, bereid te zijn om ermee vertrouwd te raken, op elk moment te willen leren wat de liefde die ik ben, is,… hoe het voelt, proeft, ruikt, hoe het werkt, hoe het heelt.